Don Bosco


Jan Bosco, later Don Bosco genoemd, wordt geboren op 16 augustus 1815 in Italië, niet ver van Turijn. Hij is de derde zoon in een eenvoudig landbouwersgezin.

Als zestienjarige knaap trekt hij naar het college van Chieri. Om zijn studies te betalen doet hij er allerlei karweien. Ook op school steekt hij zijn handen uit de mouwen om voor klasgenoten en vrienden de studententijd zo tof mogelijk te maken: Hij richt een ‘club van de vrolijkheid’ op. Jongeren die samen activiteiten organiseren, jongeren die het voorbeeld zijn voor anderen … jongeren die elkaar opvangen. Een vorm van KAJ vandaag, toen reeds.

Studeren ligt hem wel en hij besluit om priesterstudies aan te vatten. Slimme jongens deden dit toendertijd wel vaker. Op 5 juni 1841 wordt hij tot priester gewijd.

In Turijn bezoekt hij gevangenissen. Hij ziet er vele jongeren die in slechte omstandigheden leven. Ook op straat leert hij jongeren kennen die doelloos rondzwerven, die geen werk of thuis hebben. Deze ervaringen laten hem niet los en sterken hem in zijn overtuiging om een eigen opvoedingswerk te beginnen.

In een volksbuurt van de stad start hij een speel- en ontmoetingsruimte, een tehuis, een school, werkplaatsen en een parochie op maat van de jongeren. Samen met de jongeren bouwt hij aan hun toekomst.

Ze komen echter met velen. Jan Bosco kan dit allemaal niet meer alleen. Hij sticht een gemeenschap met jongens die zich op dezelfde manier willen inzetten voor jongeren die het moeilijk hebben: in 1859 sticht hij de congregatie van de Heilige Frans van Sales (of de salesianen van Don Bosco). De salesiaanse gemeenschap groeit verder in en buiten Italië en er komen steeds meer werken ten behoeve van de jeugd, zo ook in Sint-Pieters-Woluwe. Wat begonnen is in de straten van Turijn, is ondertussen een wereldwijde beweging geworden.
   
Don Bosco is een man met een hart voor jongeren. Hij sterft te Turijn op 31 januari 1888. Sedert Pasen 1934 noemt de kerkgemeenschap hem officieel 'een heilige'. Velen proberen in zijn voetsporen te treden.